LUchtvaart Nationaal Antwerpen Kempen
LUNAK

BRDITSCHKA MOTORZWEVERS
Wie de dag van vandaag op een sportvliegveld rondkijkt kan moeilijk anders dan tot de conclusie komen dat de huidige generatie eenmotorige sportvliegtuigen grote onderlinge overeenkomsten vertonen. Op een beperkt aantal uitzonderingen na hebben al deze toestellen een propeller vooraan, met daarachter achtereenvolgens het motorcompartiment, het cockpitgedeelte met meestal bovenaan of onderaan de vleugels, een gedeelte romp zonder specifieke uiterlijke kenmerken en het staartstuk met horizontale en verticale vlakken. Vliegtuigen met een canard configuratie (kleine voorvleugels, hoofdvleugels vrij ver naar achteren, motor met duwschroef helemaal achteraan) zijn al wat zeldzamer. Toch zijn er nog andere configuraties mogelijk, en als vliegtuigliefhebber is het altijd leuk dergelijke dingen voor de lens te krijgen. De motorzwevers die door de Oostenrijker Heino Brditschka werden ontworpen behoren tot die afwijkende constructies.
In de jaren 1960 bouwde Heino’s vader Heinrich een motorzwever (zweefvliegtuig met hulpmotor) van het type Raab Krähe, en de ietwat speciale lay-out hiervan zou de inspiratie vormen voor Heino Brditschka’s eerste creatie, de HB-3. Bij de Krähe (“kraai”), een ontwerp van de gekende Duitse zweefvliegtuigontwerper Fritz Raab, bevond de propeller zich namelijk niet op de meest voor de hand liggende plaats (vooraan, met de motor er net achter) maar net achter de cockpitsectie. 2 balken, eentje vertrekkend vanaf de hoogliggende vleugel en eentje vanaf de onderkant van de cockpit, droegen de volledige staartsectie. De propeller draaide in de vrije ruimte tussen de 2 balken, wat als groot voordeel had dat de luchtstroming rondom cockpit en vleugel niet verstoord werd door luchtwervelingen opgewekt door de propeller.
Voortbordurend op dit idee ontwierp Heino Brditschka zijn eenzits HB-3 motorzwever. Op één punt week hij evenwel af van het concept van de Krähe: de bovenste draagbalk voor de staartvlakken deed tevens dienst als propelleras. De eerste vlucht van de HB-3 vond plaats in 1968. In 1970 werd de afdeling “Flugzeugbau” binnen het familiebedrijf (fabricatie van juwelen!) opgericht, waarna een klein aantal HB-3 motorzwevers werden gebouwd. De nieuwe propelleropstelling vond trouwens ook haar weg naar een aangepaste versie van de Raab Krähe, die onder de naam Austrian Krähe gebouwd werd.
Zoals het zo dikwijls gaat met eenzits vliegtuigen ontkwam ook Brditschka niet aan de vraag naar een tweezits uitvoering van zijn ontwerp. In 1971 ontstond aldus de HB-21 als extrapolatie van de HB-3, met 2 zitplaatsen in tandem en een grotere spanwijdte. De serieproductie hiervan, binnen de nieuw opgerichte firma HB-Aircraft AG, startte vanaf 1974 en werd in 1983 beëindigd nadat 23 exemplaren de productiehal in het Oostenrijkse Hofkirchen (ICAO-code LOLH) verlieten. De HB-21 was verkrijgbaar in 2 uitvoeringen : HB-21 Movit en de iets krachtigere HB-21/2400 Hobbyliner.
Sinds 1981 was echter een verder geëvolueerde versie, de HB-23/2400, in ontwikkeling. Deze nieuwe motorzwever, die over een ruime cockpit met 2 zitplaatsen naast elkaar beschikte, werd vanaf 1984 in productie genomen en bracht het tot 38 gebouwde exemplaren. De HB-23/2400 werd in enkele varianten gebouwd (HB-23/2400 Hobbyliner, SP, V1 en V2) voor recreatief gebruik en als HB-23/2400 Scanliner met een bolvormige uitgebreid beglaasde cockpit, bestemd voor observatie, verkenning en fotografie.
In 1988/1989 werd de HB-202 Fledger gebouwd en getest. De algemene vormgeving van de HB-23/2400 was hierin weliswaar te herkennen maar de HB-202 was toch een volledig nieuw ontwerp. In 1989 werd echter besloten zich volledig te gaan toeleggen op onderhoud en herstel van (zweef-)vliegtuigen, een activiteit die men reeds sinds de jaren 1970 met succes verrichtte. De HB-202 bracht het dan ook niet verder dan het prototypestadium.
Toch was de creatieve geest in de Brditschka familie nog niet helemaal tot rust gekomen en in 1995 voerde de HB-207 zijn eerste vlucht uit. Dit nieuwe type, een kleine tweezitter met intrekbaar onderstel, was klassiek van vormgeving en week dus sterk af van de oorspronkelijke motorzwevers waarmee HB-Aircraft AG een bescheiden bekendheid verwierf.
Over de jaren heen zijn er nog wel meer vliegtuigen geweest met alternatieve propelleropstellingen. De Brditschka’s HB-21 en HB-23 zijn hierin dus zeker niet de enige rare vogels. Denken we maar aan de RWF (Rhein-Westflug-Fischer) RW3-P75 Multoplan, waarbij de propeller zich in het verticale staartvlak bevond, tussen het vaste gedeelte en het richtingsroer. Even “speciaal” waren de Edgley EA-7 Optica, RFB (Rhein Flugzeugbau)/Grumman American Fanliner en RFB Fantrainer, allen met een midscheeps gemonteerde ducted fan (propellor die binnen een straalbuis roteert). Zeg nu zelf, de wereld van de luchtvaart blijft toch boeien ?
(Gebruikte bronnen: diverse websites, eigen documentatie)
(Tekst: Guido Van Roy - Foto’s: Raymond De Clercq, Daniel Vermeersch, Guy Vanderlinden & Guido Van Roy)
Klik op onderstaande foto voor de bijbehorende beelden bij dit artikel.
